Pedagogische visie

Iedereen heeft een eigen mening over wat een goede opvoeding is. Zo is in het ene gezin sport belangrijk en in een ander gezin zo goed mogelijke resultaten op school. Bureau Jeugdzorg bemoeit zich daar niet mee, dat is de keuze van de ouders.

Bureau Jeugdzorg komt wel in actie als er onveiligheid dreigt voor een kind of jongere. Daarmee bedoelen we dat een kind zich wel goed leeftijdsadequaat moet kunnen ontwikkelen en zijn/haar veiligheid is gewaarborgd.

De grens waar BJAA naartoe werkt, is een opvoedingsituatie waarin een minimum veiligheidsnorm aanwezig is bereikt. Is dat het geval, dan stopt de betrokkenheid van BJAA op. Die minimumnorm staat overigens niet gelijk aan (de maatschappelijke verwachting van) ‘de best mogelijke thuissituatie’.

De inschatting of de situatie thuis weer acceptabel (en veilig) is, blijft mensenwerk. Met deze opdracht is BJAA een belangrijke taak toebedeeld: het oordelen over de veiligheid en ontwikkelingskansen van kinderen. De medewerkers van BJAA hebben daarom veel overleg met collega’s en nemen belangrijke beslissingen nooit alleen.

BJAA heeft opgeschreven wat minimaal belangrijk is voor een kind. In onze Pedagogische Visie en Ontwikkelingstaken staat dit uitgebreid beschreven.

Samengevat gaat het om het volgende wat een kind nodig heeft:

  • een leeftijdsadequate ontwikkeling, met de bijbehorende ontwikkelingstaken,  -uitkomsten en –mijlpalen;
  • adequate verzorging, gericht op een goede gezondheid;
  • een veilige fysieke omgeving;
  • continuïteit en stabiliteit in levensomstandigheden, verzorging, aandacht en relaties;
  • een respectvolle leefomgeving waarin de wensen & behoeften van het kind serieus
  • worden genomen;

  • geborgenheid, steun en begrip van tenminste één volwassene;
  • structuur die ondersteunt, met aanmoediging, realistische grenzen (balans in belonen & straffen), toezicht en ruimte voor initiatief & plezier;
  • educatie: mogelijkheden om talenten te ontplooien.
  • De Psychische problematiek van opvoeder(s) is niet overheersend en bepalend binnen het gezin.

Andere hoofdpunten uit onze visie zijn:

  • Een kind heeft in principe recht op het wonen bij de eigen ouders. Problemen zijn een normaal onderdeel van opgroeien.
  • (Tijdelijke) uithuisplaatsing van een kind wordt alleen overwogen wanneer er sprake is van bedreiging. Indien opgroeien in het eigen gezin geen reële mogelijkheid is, bestaat er een voorkeur voor een vervangende opvoedingssituatie in gezinsverband. Hiervoor wordt het familie- en sociaal netwerk wanneer mogelijk als eerste benut.
  • Ook in geval van uithuisplaatsing wordt er gestreefd naar continuïteit in de omgang met de ouders. De (voortzetting van de) omgang van het kind met de eigen ouders/opvoeders/familie is een recht en dus uitgangspunt bij het verlenen van zorg. Het herstel van gezins- en opvoedingssituatie, te midden van ouders, staat centraal.
  • Bij uiteenlopende belangen heeft het perspectief van het kind voorrang in het hulpverleningsproces. Kinderen hebben recht op een duidelijke, veilige en continuïteit waarborgende opvoedingssituatie. Kinderen mogen niet te lang in onzekerheid zijn over hun perspectief. Als herstel van de gezins- en opvoedingssituatie niet haalbaar blijkt, wordt er gekozen voor een vervangende opvoedingssituatie die opnieuw zoveel mogelijk continuïteit en zekerheid biedt.
  • Omdat de veiligheid van het kind voorop staat, kan de bemoeienis van BJAA in vrijwillig kader leiden tot verdere stappen in de richting van gedwongen hulp. Een verzoek om hulp of steun blijft niet vrijblijvend wanneer de veiligheid van een kind in gevaar is. Ook andere professionals in de omgeving van het kind worden op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid t.a.v. kinderen aangesproken.
  • De opvoedingssituatie van het kind wordt voorop gesteld. Wet- en regelgeving zijn de kaders waarbinnen het hulpverleningsproces vorm krijgt, maar zijn nooit een doel op zich.